Zonnebeke, Tyne Cot Cemetery
Op de kampeerplaats van de eeuwige roem – Tyne Cot Cemetery
Aanduiding van de Commonwealth War Graves Commission voor Tyne Cot Cemetery op de N303 Broodseinde–Passendale weg. [DVA]
Een zijweg van de N303 tussen Broodseinde en Passendale leidt naar Tyne Cot, de grootste oorlogsbegraafplaats ter wereld van Brittannië en het Britse Gemenebest. Hier staan 11.953 grafstenen van mannen die tijdens de verdediging van Ieper tussen 1914 en 1918 gedood werden of aan hun verwondingen stierven. Ze stierven voornamelijk tijdens de maanden van de heldhaftige strijd die bekend staat als het ‘Offensief van Vlaanderen’ van 1917, toen de Britten en Fransen de Duitse stellingen langs de laaggelegen heuvels wilden terugdringen om een doorbraak te maken naar de kust van het Kanaal.
Achteraan op de begraafplaats staat de lange muur van het monument van Tyne Cot. Hierop staan de namen van 34.863 Britse soldaten die een ‘onbekend graf’ hebben, mannen die tussen 15 augustus 1917 en het eind van de oorlog stierven. Ze vertegenwoordigen de ‘overloop’ van de Menenpoort, toen men zich in de jaren ‘20 realiseerde dat dit monument, dat gebouwd was om alle Britse vermisten uit het gebied van Ieper te herdenken, voor dit doeleinde niet genoeg ruimte op de panelen had. De grote meerderheid van diegenen op de muur in Tyne Cot stierven waarschijnlijk in deze omgeving tijdens de gevechten van september tot november 1917.
Grafstenen op Tyne Cot Cemetery met op de achtergrond de muur van het monument van Tyne Cot voor de vermisten. [DVA]
In het midden van de muur bevindt zich een herinnering aan een Nieuw-Zeelandse tragedie. Een ronde apsis toont de panelen van het Nieuw-Zeelandse gedenkteken voor de vermisten en van diegenen die hier herdacht worden en waarvan er 663 (57 procent) op 12 oktber 1917 in het zicht van Tyne Cot Cemetery gedood werden. Terwijl ze die dag als ondersteuning van de Australiërs door de modder oprukten, kwamen de Nieuw-Zeelanders in niet doorgeknipt Duits prikkeldraad vast te zitten en werden afgeslacht. Jaren later herinnert brancarddrager Stan Stanfield zich de benarde toestand van de gewonden die buiten een overwonnen Duitse pillendoos lagen:
… het regende en regende. En het was koud. We haalden hen op van een verzamelpunt, een hulppost van het regiment. Het was een oud Duits betonnen geschutemplacement en ze konden er niet allemaal in, maar de dokters werkten binnen. En ze lagen gewoon overal waar ze door de brancarddragers vanaf het veld waren neergelegd en op een gegeven moment lagen er geloof ik zeshonderd door elkaar in de regen en de kou gewoon dood te gaan waar ze neergesmeten waren. Ze lagen zelfs niet op brancards, lagen gewoon op de grond, met oliezeilen over hen heen als iemand eraan gedacht had, of als één van hun vrienden het kon doen.
Afschrift van een interview, Stan Stanfield in Nicholas Boyack en Jane Tolerton, In the Shadow of War: New Zealand soldiers talk about World War One and their lives, Auckland, 1990, blz. 31
Doden en gewonden op brancards buiten een overwonnen Duitse pillendoos die als een Australische hulppost dienst deed, Zonnebeke, 12 oktober 1917. [AWM E01202]
Tyne Cot is een verzamelbegraafplaats: de stoffelijke overschotten van duizenden die er nu rusten werden hier na de oorlog van geïsoleerde graven en kleine begraafplaatsen overgebracht. Het was echter ook een begraafplaats op het slagveld. De grafstenen direct achter het grote kruis die in minder georganiseerde rijen staan, zijn de oorspronkelijke begraafplaatsen. In perceel 1, rij C, graf 10 ligt een Anzac, sergeant Alexander Fraser van het 9de Bataljon (Queensland), op 2 november 1917 in de strijd gedood. Fraser, nummer 227, tekende zijn ‘bevestigingsdocument van personen die zich aangemeld hebben voor dienst in het buitenland’ op 29 augustus 1914 bij de AIF. Dat was drie weken na het uitbreken van de oorlog, wat Fraser tussen degenen plaatst die voor aanmelding toestroomden en dachten dat de oorlog tegen de kerst voorbij zou zijn en dat ze er snel bij moesten zijn om een kans te maken om naar het buitenland gestuurd te worden. Charles Bean beschreef deze enthousiasten:
De eerste stroom die zich aanmeldde bracht een soort mannen naar de 1ste Australische Divisie die niet helemaal hetzelfde was als diegenen die later aan een oproep gevolg gaven … al het romantische, wereldvreemde, avontuurlijke wrakhout dat tussen de Australische bevolking rondliep concentreerde zich binnen die eerste weken in de aanmeldingskantoren van de AIF.
Charles Bean, The Story of Anzac, Vol I, Sydney, 1938, blz. 43
Grafsteen van sergeant Alexander Fraser, 9de Bataljon (Queensland), een ‘Anzac’, Tyne Cot Cemetery. [DVA]
Zag Fraser, een 34-jarige verzekeringsagent, zich als een ‘romanticus’, een ‘wereldvreemde’ en een ‘avonturier’ toen hij op 25 april 1915 bij zonsopgang met het 9de Bataljon tussen de eerste Australiërs aan de kust van Gallipoli landde?
Hij vond de dood in de koude, natte modder van de Ieper Salient toen eind oktober en begin november 1917 de Australiërs de frontlinie bezetten ter ondersteuning van de Canadese aanvallen op Passendale. Het waren dan ook de Canadezen die deze Anzac in Tyne Cot begroeven.
Voorbij het grote kruis strekken de grafstenen zich rij op rij op rij uit. Hier bevinden zich 1.369 Australische graven, waarvan er 791 onbekend zijn, wat Tyne Cot de oorlogsbegraafplaats maakt met de meeste Australische graven ter wereld. Alle behalve twee van de 60 infanteriebataljons van de 5 divisies van de AIF worden op de grafstenen vertegenwoordigd. Het 37ste Bataljon (Victoria) is het hoogst vertegenwoordigd met 25 graven. De overweldigende meerderheid van deze mannen waren infanteristen, maar er waren ook genieofficieren, kanonniers, brancarddragers van het medische team en een soldaat van de lichte cavalerie, cavalerist James Murray van het 13de Australische regiment van de lichte cavalerie in perceel XLV, rij E, graf 12.
Grafsteen van cavalerist James Murray van het 13de Australische regiment van de lichte cavalerie, Tyne Cot Cemetery. [DVA]
Slechts weinigen zijn zich er van bewust dat de Australische lichte cavalerie aan het Westelijk Front gediend heeft. Na Gallipoli dienden de meeste mannen van de Australische lichte cavalerie de rest van de oorlog in het Midden-Oosten, maar het 13de Regiment (Victoria) van de lichte cavalerie en een deel van het 4de (Victoria) werden naar Frankrijk overgebracht als ‘cavalerie van de divisie’. Daar werden ze voornamelijk bij de politie en verkeersregeling gebruikt, maar toen de AIF begin 1917 over het platteland naar de Hindenberglinie oprukte, werden ze als verkenners gebruikt. Tijdens de Slag om Menin Road op 20 september 1917 werd de lichte cavalerie naar het front gebracht om op patrouilles te gaan om informatie in te zamelen, maar Bean achtte hen tamelijk waardeloos op een slagveld dat door de artillerie en machinegeweren beheerst werd. Ze brachten lichte Hotchkiss machinegeweren naar het gebied achter het front voor gebruik tegen laag overvliegende Duitse vliegtuigen en cavalerist Murray maakte deel uit van deze soldaten met machinegeweren toen hij op 21 september 1917 bij de Meenseweg door een granaat gedood werd.
Het verhaal van de Australiërs die op Tyne Cot begraven zijn, is het verhaal van de deelname van de AIF aan de derde Slag om Ieper. Luitenant Charles Bluett van het 9de Bataljon (Queensland), in perceel IV, rij C, graf 21, werd het Militaire Kruis toegekend voor zijn dapperheid in de Slag om Menin Road op 20 september, de eerste grote strijd van de AIF bij Ieper. Bluett had het bevel over een aanvoerafdeling, maar toen hij bij het front kwam, ontdekte hij dat alle hooggeplaatste officieren in de aanvallende compagnies gedood of gewond waren. Daarom reorganiseerde hij de aanval en rukte naar het einddoel op, terwijl hij de hele tijd ‘vaardigheid’, ‘moed’ en ‘vastberadenheid’ toonde.
Zevenentwintig mannen die op 26 september 1917 bij de Slag om Polygon Wood sneuvelden, werden in Tyne Cot begraven. Eén van hen is soldaat Frederick Knapp van het 51ste Bataljon (West-Australië). Knapp, in perceel LX11, rij F, graf 15 was volgens zijn vriend, soldaat Joseph O’Reilly, een ‘erg opgewekte joviale kerel’, maar hij werd door een Duitse granaat aan flarden geschoten. Seiner George Harrison lichtte het Australische Rode Kruis later in dat de 36-jarige Knapp zich voor het eerst aan de linie bevond.
Voor de mannen van de AIF werd de strijd die op 4 oktober 1917 uitgevochten werd, de Slag om Broodseinde, altijd beschouwd als één van hun grootste overwinningen. Vier Anzac divisies, de eerste, tweede en derde Australische en de Nieuw-Zeelandse Divisie vochten die dag naast elkaar, de enige keer in de oorlog. Een morele oppepper, zoals Charles
Maar vanavond [3 oktober] marcheerden vier Anzac Divisies samen naar de linie. Er waren aanwijzingen dat het Britse bevel iets had opgevangen over de ware reden van het constante aandringen van de Australische autoriteiten om hun troepen bij elkaar te houden … maar ze hadden er zeker geen idee van wat het voor de troepen zelf betekende die toen door het donker de weg moesten vinden.
Charles Bean, The Australian Imperial Force in France, 1917, Official History of Australia in the War of 1914–1918, Volume IV, Sydney, 1935, blz. 840
Iemand die op 4 oktober 1917 vocht, ligt in perceel XII, rij B, graf 14, luitenant Harvey Freeman van de 11de Compagnie, Australische Machinegeweer Korps, verbonden aan de 11de Brigade, 3de Divisie. Eén van de taken van de soldaten met machinegeweren was om snel hun zware Vickers machinegeweren op de pas door de infanterie verworven stellingen te krijgen en zich dan op vijandelijke tegenaanvallen voor te bereiden. Even ten zuiden van Tyne Cot rukte het 41ste Bataljon (Queensland) op de morgen van 4 oktober 1917 op naar een sleutelpositie aan een kruispunt, dichtbij het punt waar tegenwoordig de afslag naar Tyne Cot Cemetery aan de hoofdweg naar Passendale is. Achter de Queenslanders kwam luitenant Freeman met twee groepen bemanning voor zijn Vickers geweren naar het front. Ze installeerden zich daar snel en zorgden voor dodelijk vuur over het platteland voor de nieuwe Australische stelling. Zoals op de grafsteen van Freeman te zien is, ontving hij het Militaire Kruis, dat hem voor zijn handelingen in de Slag om Broodseinde toegekend werd:
Tijdens de opmars over zwaar beschoten grond leden zijn [Freeman’s] teams slachtoffers, maar vanwege een snelle organisatie slaagde hij erin om al zijn geweren op het doelwit te krijgen. Onder zware vijandelijke beschietingen toonde hij vaardigheid in de selectie van posities voor de geweren en veel moed en initiatief in het hanteren van de geweren, waardoor hij de vijand zware verliezen kon toedienen.
Luitenant Harvey Freeman, recommendation for the Military Cross, www.awm.gov.au/cms_images/awm28/1/148P2/0037.pdf
Broodseinde was het hoogtepunt van de Britse prestatie tijdens het Offensief van Vlaanderen. Toen begon het te regenen:
Er viel een muur van regen naar beneden. Het is moeilijk om over iets te lopen dat gewoon een zee van modder is. Letterlijk een zee … de gedachte om in die vreselijke troep te verdrinken. Het is een vreselijke gedachte. Je zou liever doodgeschoten worden en er niets van weten.
Luitenant J W Naylor, Royal Artillery, geciteerd in Lyn MacDonald, They Called It Passchendaele, Londen, 1979, blz.186
In deze ‘modderzee’ werd van de mannen gevraagd om door te vechten, door te vechten tot het dorp Passendale zelf, een paar kilometer ten noordoosten van Tyne Cot bovenop de heuvelrug, ingenomen was. De AIF waren betrokken bij twee pogingen om Passendale in te nemen, de eerste op 9 oktober 1917, bekend als de Slag om Poelkapelle en de tweede op 12 oktober, de Slag om Passendale. Het waren deze gevechten, in wind en regen en wat er na voortdurende beschietingen nog over was van het modderige landschap van België vol kraters, die het hele offensief van Vlaanderen de populaire naam ‘Passendale’ gaven. Deze gevechten waren een mislukking, de eenheden die erbij betrokken waren, waren vernietigd en ontmoedigd. Veel te veel AIF graven in Tyne Cot dragen de veelzeggende datums 9 en 12 oktober 1917.
Een Australiër die op 9 oktober 1917 stierf was soldaat Charles Macintosh van de 5de Machinegeweer Compagnie, in perceel XXXVI, rij C, graf 15. Ter ondersteuning van de infanterie rukten de soldaten met machinegeweren op naar het zuiden van de Passendaalseweg, even voorbij Tyne Cot. Ze waren dicht bij een beroemd oriëntatiepunt, een spoorwegkruising tussen Ieper en Roeselare. Na de oorlog schreef de vader van Macintosch op de AWM ‘Roll of Honour Circular’ van zijn zoon dat hij begraven was bij ‘Shands Cutting aan de spoorweg tussen Ieper en Roeselare in België’. Eén van de leiders van de 5de Machinegeweer Compagnie, luitenant Stanley Gritten rukte op naar het front en merkte dat veel van zijn pas opgezette posten door Duitsers omsingeld waren. De posten werden weggeschoten en mannen renden voor bescherming naar de spoorwegdijk waar velen gedood en nooit meer teruggezien werden. Soldaat James McCulloch van de 5de Machinegeweer Compagnie, was tijdens deze zware nederlaag bij Macintosh:
[we waren] zo goed als afgesneden door de vijand. Het bevel werd gegeven dat elke man zichzelf moest redden met als gevolg dat soldaat Macintosh en ik in dezelfde granaattrechter dekking zochten. We besloten een sprint te maken en terwijl we dat deden zag ik soldaat Macintosh met verwondingen aan de darmen terugvallen in de granaattrechter die we juist hadden verlaten. De Duitsers zaten ons toen op de hielen dus ik kon niets anders doen dan blijven rennen. Ik bleef als enige van de afdeling over. De officier was gesneuveld.
Australian Red Cross Wounded and Missing Enquiry Bureau file, soldaat Charles Macintoshwww.awm.gov.au/redcross/person.asp?p=20048
De volgende aanval op Passendale op 12 oktober 1917 werd door de bataljons van de 3de en 4de Australische Divisies en de Nieuw-Zeelandse Divisie geleid. Zoals eerder beschreven, was de Nieuw-Zeelandse aanval een totale mislukking. De 3de Divisie was zo zelfverzekerd dat één man zelfs een Australische vlag meedroeg om in Passendale te plaatsen. Deze zogenaamde ‘stormloop op Passendale’ eindigde in een terugtocht en tegen het eind van de middag waren de Australiërs weer terug op de plaats waar ze begonnen, iets voor Tyne Cot.
Werknemer van de Commonwealth War Graves Commission bezig aan het onderhoud van een graf in Tyne Cot Cemetery. [DVA]
Grafsteen van kapitein Clarence Jeffries van het 34ste Bataljon (New South Wales), Tyne Cot Cemetery. Eén van de oude Duitse bunkers bij Tyne Cot is op de achtergrond te zien. Jeffries werd dichtbij eenzelfde soort bouwwerk dat hij probeerde in te nemen, begraven toen hij op 12 oktober 1917 gedood werd. [DVA]
Iemand die zich die dag onderscheidde was kapitein Clarence Jeffries van het 34ste Bataljon (New South Wales), die zijn compagnie voorwaarts leidde van even voorbij Tyne Cot Cemetery in een zonsopgang die door Charles Bean beschreven werd als ‘een witachtige strook aan de oostelijke horizon’. Modder vertraagde hen het hele eind en al gauw moesten ze zich op de grond gooien vanwege de beschietingen vanuit een pillendoos. Jeffries, bijgestaan door sergeant James Bruce, verzamelde een paar mannen en samen trokken ze om de pillendoos, vielen deze vanachteren aan en namen daarbij vijfentwintig Duitsers gevangen en bemachtigden twee machinegeweren. Het bataljon was nu bijna bij zijn doelwit, maar had zware verliezen geleden bij de opmars, met wijde openingen in zijn linie en slechts drie overlevende officieren. Toen de opmars verder zou gaan, begon een Duits machinegeweer te schieten ‘met dodelijke gevolgen’. Jeffries, weer bijgestaan door Bruce, leidde een groep weg om de Duitsers het zwijgen op te leggen. Omdat het slechts in korte uitbarstingen vuurde, kon Jeffries tot vlakbij het geweer komen en toen hij zag dat het een andere kant op ging schieten, rende hij er met zijn mannen op af. Plotseling zwaaide het geweer om, Jeffries werd gedood en zijn mannen gooiden zich tegen de grond, maar kwamen overeind en namen uiteindelijk vijfentwintig man gevangen en bemachtigden nog twee machinegeweren. Bean schreef dat ‘de dappere en effectieve actie van Jeffries het hoofdgevaar voor de opmars uitschakelde’.
Kapitein Clarence Smith Jeffries werd postuum het Victoriakruis toegekend voor zijn moed bij Passendale. Anders dan zovelen die in de modder verdwenen, werd zijn lichaam geborgen en ligt het in perceel XL, rij E, graf 1 in Tyne Cot Cemetery naast de betonnen overblijfselen van een Duitse pillendoos. Op zijn graf staat een grafschrift dat zou kunnen dienen voor alle mannen van de AIF die in deze stad van grafstenen begraven zijn:
Op de kampeerplaats van de eeuwige roem
Staan hun stille tenten verspreid.
Deze site wordt regelmatig aangevuld. Zie de Updates pagina voor regelmatige nieuwe toevoegingen.
© 2008 Department of Veterans' Affairs and Board of Studies NSW :: Last update - November 2008
![Aanduiding van de Commonwealth War Graves Commission voor Tyne Cot Cemetery op de N303 Broodseinde–Passendale weg. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-1a-tn.jpg)
![Straatnaambord: Tynecotstraat. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-1-tn.jpg)
![Ingang van Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-2-tn.jpg)

![Tyne Cot Cemetery, oktober 1924. [AWM H11685]](/tyne-cot/images/awm-h11685-tn.jpg)
![Grafstenen op Tyne Cot Cemetery met op de achtergrond de muur van het monument van Tyne Cot voor de vermisten. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-4-tn.jpg)
![Muur, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-22-tn.jpg)
![Doden en gewonden op brancards buiten een overwonnen Duitse pillendoos die als een Australische hulppost dienst deed, Zonnebeke, 12 oktober 1917. [AWM E01202]](/tyne-cot/images/awm-e01202-tn.jpg)
![Het gedenkteken van Nieuw-Zeeland, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-5a-tn.jpg)
![Herdenkingspaneel, gedenkteken van Nieuw-Zeeland voor de vermisten, Tyne Cot. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-5-tn.jpg)
![Sommigen van de ‘vermisten’, gedenkteken van Nieuw-Zeeland, Tyne Cot. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-6-tn.jpg)
![Eén van de ‘vermisten’, soldaat uit Nieuw-Zeeland, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-7-tn.jpg)
![Oorspronkelijke begraafplaats achter het Opofferingskruis, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-8-tn.jpg)
![Grafsteen van sergeant Alexander Fraser, 9de Bataljon (Queensland), een ‘Anzac’, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-9-tn.jpg)
![Pakpaard met granaten in de modder, H. Septimus Power, 1917. [Olie op hardboard AWM ART03307]](/tyne-cot/images/awm-art03307-tn.jpg)
![Rijen grafstenen, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-10-tn.jpg)
![Grafsteen van cavalerist James Murray van het 13de Australische regiment van de lichte cavalerie, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-11-tn.jpg)
![Australische artillerie in de strijd bij Zonnebeke, oktober 1917. [AWM E01209]](/tyne-cot/images/awm-e01209-tn.jpg)













![Grafsteen van luitenant Charles Bluett, 9de Bataljon (Queensland), Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-12-tn.jpg)
![Grafsteen van luitenant Charles Bluett, 9de Bataljon (Queensland), Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-13-tn.jpg)

![Grafsteen van soldaat Charles Macintosh, 5de Machinegeweer Compagnie, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-15-tn.jpg)






![Deur, Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-23-tn.jpg)
![Werknemer van de Commonwealth War Graves Commission bezig aan het onderhoud van een graf in Tyne Cot Cemetery. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-27-tn.jpg)
![Grafsteen van kapitein Clarence Jeffries van het 34ste Bataljon (New South Wales), Tyne Cot Cemetery. Eén van de oude Duitse bunkers bij Tyne Cot is op de achtergrond te zien. Jeffries werd dichtbij eenzelfde soort bouwwerk dat hij probeerde in te nemen, begraven toen hij op 12 oktober 1917 gedood werd. [DVA]](/tyne-cot/images/tc-16-tn.jpg)